10-03-08

Taalhulp: Conjunctief II

bild3
Spraakkunst

De conjunctief

Na bemerkingen bij het gebruik van de conjunctief I vorige week, bekijken we vandaag de conjunctief II. Vorige maandag werden de vervoegingen ervan doorgenomen, vandaag het gebruik.

De conjunctief II gebruikt men veelal om uit te drukken, wat men zich inbeeldt of voorstelt of bij indirecte rede (over een andere persoon betrekking hebbend). Voorbeelden:

  • Ohne dich wäre es nicht passiert.
  • Sie sagte, wenn sie Zeit hätte, käme sie.
  • Er tat, als ob er krank wäre.

Met de conjunctief II kan men ook twijfel uitdrukken. Ook hier gaat het veelal om de indirecte rede. Voorbeelden:

  • Er erklärte zwar, er hätte alles getan, aber ich glaube es nicht.
  • Es ist sehr zweifelhaft, dass er heute käme, wie er sagte."

Vervanging van de vervoeging in de conjunctief II door "würde"

In de gesproken taal vervangt men de vervoeging van een conjunctief veel, zelfs haast altijd (maar niet bij de werkwoorden "sein, haben, durfen, können, mögen, sollen, wollen") door de conjunctief II van het werkwoord werden + de infinitief van het betrokken werkwoord. Enkele voorbeelden:

  • Er sagt, er wohnte in Antwerpen. -> Er sagt, er würde in Antwerpen wohnen.
  • Sie sähe keine anderen Möglichkeiten. -> Sie würde keine anderen Möglichkeiten sehen.

In de geschreven taal gebeurt dit vervangen slechts om een toekomstgerichte wijze weer te geven. (Maar lees verder hieronder gevallen, waarbij de conjunctief II toch in alle omstandigheden vervangen wordt, ook in de geschreven taal.) Voorbeeld:

  • Wenn du morgen gingest, dann wäre es noch früh genug. -> Wenn du morgen gehen würdest, dann wäre es noch früh genug.

Wel vervangt men in zowel de gesproken als geschreven taal de conjunctief II wanneer de vervoeging ervan eenzelfde resultaat geeft als in de onvoltooid verleden tijd in de aanvoegende wijs (indicatief). Daardoor vermijdt men verwarring. Zo bijvoorbeeld "ich lebte" is hetzelfde in de conjunctief II als in de onvoltooid verleden tijd van de indicatief. Zulke noodzakelijke vervanging door werden in de conjunctief II + infinitief van het betrokken werkwoord komen algemeen voor bij regelmatige (zwakke) werkwoorden en bij de eerste en derde persoon van de onregelmatige (sterke) werkwoorden. Voorbeelden:

  • Ich lebte wohl, wenn ich mal reich wäre. -> Ich würde wohl leben, wenn ich mal reich wäre.
  • Es ist dort wunderschön, sonst wohnten wir dort nicht. -> Es ist dort wunderschön, sonst würden wir dort nicht wohnen.
  • Wenn Sie riefen, dann hörte ich es sicherlich. -> Wenn Sie rufen würden, dann hörte ich es sicherlich. (of) -> Wenn Sie riefen, dann würde ich es sicherlich hören.

Men vervangt de vervoeging van de conjunctief II eveneens, wanneer deze gebaseerd is op een oude, niet meer gebruikte stam van de vervoeging in de onvoltooid verleden tijd in de indicatief. Zo bijvoorbeeld zei men vroeger bij de vervoeging in die verleden tijd "er befohl" in plaats van "er befahl" of "er buk" in plaats van "er bakte". In deze gevallen is het aangeraden om de vervoeging in de conjunctief II te vervangen door "werden" in de conjunctief II + infinitief. Voorbeelden:

  • Er beföhle, wenn er Lust dazu hätte. -> Er würde befehlen, wenn er Lust dazu hätte.
  • Hülfest du, wenn du könntest? -> Würdest du helfen, wenn du könntest.?

11:12 Gepost door Sebastian in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: taalhulp, duits, spraakkunst, conjunctief, werkwoord |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.