03-03-08

Taalhulp: conjunctief (aanvoegende wijs)

bild3
Spraakkunst

De conjunctief

De conjunctief of aanvoegende wijs is een niet steeds eenvoudige modus om te gebruiken in het Duits. In deze week zullen we dit verschijnsel nader bekijken. Moeilijkheden zijn niet zozeer de vervoegingen ervan, maar wel enerzijds het vervangen van een conjunctief door andere mogelijkheden wegens overlapping met bestaande vervoegingen in de indicatief, en anderzijds in het gebruik van de twee mogelijke conjunctieven.

Vandaag leggen het accent op de vervoeging in beide conjunctieven. Daarbij is het goed van in het begin te weten dat de vervoeging in deze modus afhankelijk is van het regelmatig (zwak), het onregelmatig (sterk) en het modaal zijn van een werkwoorden. Hulpwerkwoorden hebben dan weer een afzonderlijke vervoeging in deze modus.

 

Vervoeging van regelmatige werkwoorden in de conjunctief

In de onderstaande tabel zal het al onmiddellijk opvallen dat de vervoeging gebeurt op de stam van de infinitief, en dat de vervoeging van de conjunctief II gebeurt door een "t" te plaatsen voor de vervoeging uit de conjunctief I:

 

Persoon 

Conjunctief I

Comjunctief II

ich

liebe

liebte

du

liebest

liebtest

er

liebe

liebte

wir

lieben

liebten

ihr

liebet

liebtet

sie

lieben

liebten

Vervoeging van onregelmatige werkwoorden in de conjunctief

Bij de onregelmatige werkwoorden wordt in de conjunctief I vervoegd net zoals voor de regelmatige werkwoorden. Daarbij valt het dan op, dat de umlaut-verandering voor de tweede en derde persoon die kan voorkomen bij sterke werkwoorden in de indicatief, wegvalt in de conjunctief I.

Belangrijk: in de conjunctief II wordt niet de stam van het sterke werkwoord in de infinitief gebruikt, maar wel de stam van het werkwoord in de verleden tijd, waarbij een umlaut geplaatst wordt op de klinker ervan. Maar... heel uitzonderlijk wijkt men daar van af en geeft men een heel andere klinker in de stam, waarbij vaak uitgegaan wordt van de stam in de verleden tijd uit vergane decennia (bijvoorbeeld: backen ->ich büke). Om zekerheid te hebben is het dan ook altijd goed om de tabel van de onregelmatige werkwoorden te raadplegen..

 

Persoon 

Conjunctief I

Comjunctief II

ich

fahre

führe

du

fahrest

führest

er

fahre

führe

wir

fahren

führen

ihr

fahret

führet

sie

fahren

führen

Vervoeging van modale werkwoorden in de conjunctief

Bij de modale werkwoorden (dürfen, können, müssen, sollen, mögen, wollen) vervoegt men de beide conjunctieven zoals voor regelmatige werkwoorden (stam van de infinitief), behalve voor "mögen" in de conjunctief II: stam = "möcht-". Aldus:

dürfen -> ich dürfe -> ich dürfte

können -> ich könne -> ich könnte

müssen -> ich müsse -> ich müsste

sollen -> ich solle -> ich sollte

wollen -> ich wolle -> ich wollte

mögen -> ich möge -> ich möchte (!)

 

Vervoeging van hulpwerkwoorden in de conjunctief

In de conjunctief I wordt zoals bij de andere werkwoorden de stam van de infinitief gebruikt, maar de vervoegingsuitgangen bij het werkwoord sein wijken af van de normale gang.

In de conjunctief II wordt zoals bij de sterke werkwoorden de stam van de verleden tijd gebruikt en de klinker ervan voorzien van een umlaut, en hierbij komen geen abnormale vervoegingsuitgangen voor bij het werkwoord sein.

 

Sein 

Conjunctief I

Comjunctief II

ich

sei

wäre

du

seist

wärest

er

sei

wäre

wir

seien

wären

ihr

seiet

wäret

sie

seien

wären

Haben 

Conjunctief I

Comjunctief II

ich

habe

hätte

du

habest

hättest

er

habe

hätte

wir

haben

hätten

ihr

habet

hättet

sie

haben

hätten

Werden 

Conjunctief I

Comjunctief II

ich

werde

würde

du

werdest

würdest

er

werde

würde

wir

werden

würden

ihr

werdet

würdet

sie

werden

würden

Komende woensdag komt het gebruik van de beide conjunctieven aan bod met vaak vervangingen voor de conjunctief II.

11:16 Gepost door Sebastian in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: spraakkunst, taalhulp, duits |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.