31-01-08

Taalhulp: gebruik van "für" en "vor"

bild2
Taalgebruik

Verschil tussen "für" en "vor".

De juiste keuze van een voorzetsel is vaak een hele miserie voor een Nederlandstalig, wanneer hij of zij zich wil uiten in het Duits. Zo kan het gebruik van "für" en "vor" voor verwarring zorgen en soms zelfs voor de keuze van een heel ander voorzetsel zoals "zu". Ervaring kan u al een heel eind op weg brengen. Geduld is dan ook vaak aangewezen...

Courante omstandigheden voor het gebruik van "für", steeds met accusatief

1. Opgave van het doel van iets. Voorbeelden:

  • Er trainiert schon heftig für die Olymiade.
  • Die politischen Parteien kämpfen für ihren Erfolg.

Het doel van iets kan ook uitgedrukt worden met het voorzetsel "zu" en datief. Alleen ervaring met de Duitse taal kan u helpen om het juiste te kiezen. Meestal gebruikt men "für " wanneer men streeft naar de realisatie van een doel. "Zu" wordt dan meer gebruikt om het resultaat van iets aan te geven. Voorbeeld van dat laatste:

  • Sie kaufte Stoff zu einem Kleid.
  • Es gab eine Feier zu seinem Geburtstag.

2. Opgave van de bestemming van iets. Voorbeelden:

  • Ich wünsche dir Erfolg für deine Arbeit.
  • Das Geschenk ist für die Kinder.

3. Opgave van een mening, opvatting, beoordeling. Voorbeelden:

  • Ich halte sie für intelligent.
  • Das können wir für ungeltig erklären.

4. Opgave van vervanging van iets. Voorbeelden

  • Heute verrichte ich den Dienst für ihn.
  • Sie sprach nur für sich.

5. Opgave van tijd. Voorbeelden

  • Es wird gearbeitet für die Dauer von 8 Stunden.
  • Das Treffen ist für Freitag festgelegt.

Bemerk dat het hier enkel gaat om een tijdsaanduiding binnen een zekere tijdsspanne of op een zeker tijdstip. Wil u iets uitdrukken naar een bepaald tijdstip of tijdsspanne toe, dan wordt het voorzetsel "zu" gebruikt. Voorbeelden

  • Zu Weihnachten werden wir manches einkaufen.
  • Zu meiner Zeit waren die Winter noch Winter.

Courante omstandigheden voor het gebruik van "vor" , met accusatief of datief

1. Wil u een tijdstip of een tijdspanne weergeven vooraleer het vermelde in de zin zich voordoet, dan wordt het voorzetsel "vor" gebruikt. Voorbeelden:

  • Sie ging schon vor 8 Uhr los.
  • Das war noch vor meiner Zeit.

2. Opgave van plaatsaanduding op aanduiding van rang. Voorbeelden:

  • Vor dem Tür ist ein kleiner Garten angelegt.
  • Er wurde Sieger vor seinem Landsmann.
  • Sie bestätigte alles vor dem Richer.
  • Er stellte sich vor die Tür.
  • Setzen Sie sich vor mich!

3. Opgave van een gevolg van iets, veelal van gevoelens ten gevolge van iets. Voorbeelden:

  • Sie platzte vor Neugier.
  • Er zittert sogar vor Kälte.
  • Das Kind schrie vor Zahnschmerzen.
  • Wir starrten vor Schreck.
  • Bei Ihnen strahlt es vor Sauberkeit.
  • Vor lauter Arbeit vergaß ich ihren Geburtstag.


ROND DIT THEMA
Voorzetsels  gebruik

11:33 Gepost door Sebastian in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: duits, voorzetsels, taalgebruik, taalhulp |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.