21-01-08

Taalhulp: het voegwoord 'zu'

bild3
Spraakkunst

Gebruik van het voegwoord "zu".

Het woord zu wordt vaak gebruikt als voorzetsel (met een datief). Voorbeeld. "Zu meinem PC hört auch..." Eveneens gebruikt men dit woord als bijwoord in bijvoorbeeld: "Diese Software ist mir zu kompliziert." Het woord wordt echter ook heel veel gebruikt als voegwoord in bijvoorbeeld: "Ich hoffe heute eine neue CD kaufen zu können." Het woord als voegwoord staat veelal bij een infinitief en komt overeen met het Nederlandse woord "te". Over dit gebruik valt een en ander te weten...

Vooreerst gebruikt men dit voegwoord ten onrechte bij de werkwoorden liegen, stehen, wohnen in combinatie met haben. Bijvoorbeeld: "Er hatte dreitausend Euro auf der Bank zu liegen" of "Wir haben unsere Mutter bei uns zu wohnen." Dit vals gebruik van het woord moet u vermijden. Het wordt vaak op die wijze toegepast in Berlijn en in Niedersachsen, is echter niet toegelaten. Het moet dan ook worden:"Er hatte dreitausend Euro auf der Bank liegen", "Wir haben unsere Mutter bei uns wohnen", "Ich habe noch viele alte CDs auf meinem Regal stehen."

Bij de infinief van werkwoorden volgend op de werkwoorden lehren, lernen, helfen, heißen mag het voegwoord zu slechts gebruikt worden indien bij die infinief een aanvulling staat. Voorbeelden:

  • Ich lehre ihn surfen.
  • Ich lehre ihn aufs Internet zu surfen.
  • Wir lernen schwimmen.
  • Wir lernen Crawl zu schwimmen.
  • Helfen Sie mir putzen?
  • Helfen Sie mir das Auto zu putzen?
  • Die Mutter heißt das Kind aufpassen.
  • Die Mutter heißt das Kind auf der Straße aufzupassen.

Maar staat een infinitief van een werkwoord voor de werkwoorden helfen, heißen dan valt steeds het voegwoord zu weg. Voorbeelden:

  • Kannst du mir das Auto putzen helfen?
  • Kannst du mir aufs Internet surfen helfen?
  • Du sollst mich nicht auf das Kind aupassen heißen.
  • Sie hat mich zu ihr kommen heißen.

In een samengestelde zin waarbij het woord als gebruikt wordt om de tweede zin in te leiden, mag (moet niet) het voegwoord zu bij een infinitief staan. Voorbeelden:

  • Ich wollte lieber sterben, als die schwierige Software lernen.
  • Ich wollte lieber sterben, als die schwierige Software zu lernen.

Bij samengestelde werkwoorden die bij vervoeging gesplitst worden, schrijft men het voegwoord zu tussen de samenstellingen en het geheel wordt dan aaneengeschreven. Voorbeelden:

  • Ich hoffe pünklich anzukammen.
  • Versuch mal dich anzustrengen.

Bij samengestelde werkwoorden die bij vervoeging niet gesplitst worden, schrijft men het voegwoord zu uiteraard los van dat werkwoord. Hierbij valt op te letten met werkwoorden die samengesteld zijn uit de voorzetsels durch-, hinter-, über-, um-, unter-, wieder- en een werkwoord. Bij deze samenstellingen kan de klemtoon al naargelang de betekenis van de samenstelling op het voorzetsel of op het werkwoorddeel liggen. Ligt de klemtoon op het voorzetsel, dan voegt men het voegwoord zu tussen de delen van de samenstelling en wordt het geheel aaneengeschreven. Voorbeelden:

  • Er versucht durch die Sperrung durchzulaufen.
  • Sie versucht die Stadt mal zu durchlaufen.
  • Sie plant zu einer anderen Partei überzugehen..
  • Er ließ nich nach, ihre Fragen zu übergehen.
  • Er versuchte sich während des Gewitters unter den Baum unterzustellen.
  • Sie versuchte ihm zu unterstellen..

Woensdag volgt meer over het gebruik van zur als voegwoord.

10:54 Gepost door Sebastian in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: taalhulp, duits, voegwoord, infinitief |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.